Top

Krystel Honsbeek

Leven na de ZeB: Krystel Honsbeek

Sinds haar start in 2007 heeft de master Zorgethiek en Beleid (ZeB) talloze afgestudeerden afgeleverd. Hoe is het werkende leven na de opleiding ZeB? En wat heeft deze opleiding hen meegegeven in de werkzaamheden? Dit keer spreken we Krystel Honsbeek.

Wie is Krystel Honsbeek?

Met haar SPH achtergrond werkt Krystel Honsbeek (1989) sinds 2010 als begeleider en ethiekondersteuner in verschillende hulpverleningsorganisaties en werd ze op Avans Hogeschool (Social Work) en Fontys Hogeschool (HRM) als docent ingezet. Naast deze werkzaamheden heeft Krystel een Master Filosofie gedaan gericht op Ethiek van Bedrijf en Organisatie (2015), om vervolgens ook de Master Zorgethiek en Beleid af te ronden in 2016.

Sinds begin dit jaar (2017) heeft Krystel haar werkzaamheden over een andere boeg gegooid en is ze aan de Radboud Universiteit (sectie Geografie, Planologie en Milieu) begonnen met een promotieonderzoek naar zorg voor ouderen die lesbisch, homo, bi of transgender zijn (LHBT). Daarnaast is Krystel als ZZP’er inzetbaar voor ethiekondersteuning, maakt ze deel uit van de redactie van Zorgethiek.nu, en werkt ze – eveneens sinds begin dit jaar – enkele uren in de week als ambulant begeleider van mensen met autisme bij Leermakers Zorggroep in Den Bosch.

Wat was de reden dat je de master Zorgethiek en Beleid bent gaan doen?

“Ik weet nog dat ik tijdens mijn SPH opleiding ‘De Zorgfabriek’ te zien kreeg; een korte documentaire van Kim Brandt waarin ze in beeld brengt hoe het er in een verzorgingshuis aan toe gaat als de hang naar efficiëntie en effectiviteit leidend is voor de geboden zorg. Te zien is dat medewerkers inklokken, enkele minuten de tijd hebben om de kousen bij een bewoner aan te trekken, uitklokken, een aantal minuten hebben om de volgende bewoner te wassen, en weer door gaan. Er wordt hard gewerkt om zo aan het einde van de ochtend ervoor ‘gezorgd’ te hebben dat alle bewoners aangekleed zijn en gegeten hebben. Vanuit de zorgethiek reflecteerden we op deze documentaire en stelden we ons de vraag wat zorg tot goede zorg maakt. De zorg werd efficiënt georganiseerd: aan het einde van de ochtend is alles gedaan wat volgens de actielijst gedaan moest worden. Maar getuigt dat van goede zorg? Of is er meer nodig?

Sindsdien heeft de vraag naar goede zorg me niet meer losgelaten. Eenmaal zelf werkende in de praktijk merkte ik op dat die vraag in elke situatie en hulpverleningsrelatie anders te beantwoorden is en dacht ik na hoe organisaties aan zulke dynamische en complexe zorgpraktijken ondersteunend kunnen zijn. Ik nam me voor om op te komen voor waar het in de zorg voor mij om draait: om zorg niet vanuit het streven naar efficiëntie te organiseren, maar om zorg vanuit het streven naar goede zorg te organiseren: dat medewerkers op hun plek zitten, en de ruimte krijgen om vanuit aandacht voor de ander aansluiting te vinden bij hetgeen daadwerkelijk als belangrijk ervaren wordt.

Vanuit deze missie ben ik een master filosofie gaan doen waarbij ik me verdiept heb in organisatie-ethiek, om me vervolgens met behulp van de ZeB-master te specialiseren in de zorgethiek.”

Waar ging je afstudeerthesis over?

Tijdens de master volgde ik bij het VUmc een training om moreel beraden te kunnen geven bij de GGZ-instelling waar ik werkzaam was. Daar werd het moreel beraad al ruim twaalf jaar gevoerd. Omdat het moreel beraad niet eerder op kwalitatieve manier geëvalueerd was, was ik benieuwd naar hoe moreel beraad eigenlijk ervaren wordt door medewerkers en of er dingen zijn die we beter kunnen doen.

In opdracht van dr. Margreet Stolper (VUmc) en onder begeleiding van dr. Merel Visse (vakgroep Zorgethiek UvH) ben ik daarom gaan onderzoeken hoe moreel beraad wordt ervaren, wat goed gaat, wat beter kan en hoe dat gerealiseerd kan worden. Daartoe gebruikte ik de responsieve evaluatiebenadering, waarbij ik in gesprek ging met mensen uit alle lagen van de organisatie. Deze benadering spreekt me aan vanwege de mogelijkheid om in te zoomen op de verschillende ervaringen en om het gesprek daarover met elkaar aan te gaan, zodat er ook echt een leerproces op gang gebracht kon worden.

Wat heeft deze studie jou gebracht?

De zorgethische inzichten die ik tijdens de Master ZeB heb opgedaan helpen mij om me op constructieve manier in te zetten voor rechtvaardige zorgpraktijken. Daarmee bedoel ik zorgpraktijken waarin afgestemd wordt op de betrokkenen en waarbij aandacht is voor geleefde ervaringen en perspectieven van cliënten en medewerkers, relationaliteit, kwetsbaarheid, lichamelijkheid, invloed van machtsverhoudingen en context.

Die inzichten kon ik rechtstreeks gebruiken voor reflectie in de praktijk: op de werkvloer in gesprek met cliënten en collega’s, maar ook organisatiebreed als lid van de Medisch Ethische Commissie, taakgroep Moreel Beraad en als gespreksleider moreel beraad. Mijn collega’s en ik streefden er naar om in de hele organisatie ruimte en tijd te creëren om structureel met elkaar in gesprek te kunnen gaan over de vraag hoe in een bepaalde situatie goede zorg nagestreefd kan worden. Dat bleek een behoorlijke uitdaging.

We hadden op dat moment te maken met bezuinigingen en bevonden ons midden in een grote reorganisatie, waarbij ruimte voor bezinning al snel onder druk kwam te staan. Vanuit de zorgethiek vind ik het echter belangrijk dat juist in zulke tijden het gesprek gevoerd blijft worden, zodat het hoofd geboden kan worden aan de morele uitdagingen waar de organisatie voor kwam te staan. Dat is belangrijk om te voorkomen dat er beslissingen genomen worden die niet afgestemd zijn op de zorgbehoefte van cliënten en de wensen van de medewerkers.

Een voorbeeld daarvan is dat als medewerkers ongewild naar een andere afdeling verplaatst worden, er van hen wordt verwacht dat zij zich conformeren aan de omstandigheden door zich flexibel op te stellen en met dezelfde sprankeling hun werk blijven doen. Na zo’n wisseling van de wacht wordt van cliënten verwacht dat zij zich ontvankelijk op blijven stellen voor de nieuwe hulpverleners, terwijl ze het afscheid nog aan het verwerken zijn van degene aan wie zij zich na lange tijd toe hebben durven vertrouwen.

Door zulke ingrijpende reorganisaties kunnen medewerkers en cliënten kunnen zich behoorlijk machteloos voelen en ontregeld raken, met als gevolg dat de zorg zelf ook ontregeld raakt. Een dergelijke reorganisatie is voor mij een pijnlijk voorbeeld waarin relationaliteit en afstemming in ‘het zorgen voor..’ naar de achtergrond verdwijnen, terwijl ‘het zorgen voor..’ volgens de zorgethiek juist een relationele afstemmingspraktijk zou moeten zijn.

De master heeft eraan bijgedragen dat ik handvatten aangereikt heb gekregen die mij helpen om zorgethisch na te denken over hoe het anders had gekund in zo’n situatie. Ik kan nu woorden geven aan het onderbuikgevoel van mezelf en anderen in zorgpraktijken, zodat daar samen met betrokkenen over in gesprek gegaan kan worden. De dialoog tussen cliënten, medewerkers, organisatie en gemeente, ken ik dan ook ongekende waarde toe om de zorg -ook in tijden van bezuinigingen – als een relationele afstemmingspraktijk tot haar recht te laten komen.

Kan je wat meer vertellen over het onderzoek waar je nu mee bezig bent?

Op dit moment ben ik aan de Radboud Universiteit bezig met een promotieonderzoek dat deel uit maakt van het door het NWO-gesubsidieerde VIDI project “Caring for diversity: meeting care needs of migrant and LGBT elderly care in changing local landscapes”. Binnen dit project focus ik me op de zorg aan LHBT ouderen. Mijn supervisoren dr. Roos Pijpers (sectie Geografie) en dr. Els Rommes (sectie Genderstudies) geven mij alle vrijheid geven om het onderzoek vanuit zorgethisch perspectief aan te vliegen. Dat maakt het mogelijk om geografische inzichten te verrijken met zorgethische inzichten en andersom. Zo richt ik mijn onderzoek op de mogelijkheden om samen met zorgpraktijken inclusieve, democratische zorglandschappen te creëren, waarbij Tronto’s fasen van zorg (caring about, caring for, care-giving, care-receiving en caring-with) afgestemd zijn op de seksuele en genderdiversiteit onder ouderen.

Aandacht hebben voor LHBT ouderen in zorgpraktijken vind ik belangrijk, omdat wel eens vergeten wordt dat ook ouderen lesbisch, homo, bi of trans kunnen zijn. Als zorgverleners en andere ouderen echter automatisch veronderstellen dat iemand cisgender en hetero is, dan kan het voor een oudere een drempel worden om als lesbisch, homo, bi of trans vervolgens uit de kast te komen.

Uit verschillende onderzoeken blijkt dat angst voor afwijzing, uitsluiting of discriminatie ook een rol kan spelen bij de overweging van een oudere om open te zijn over zijn/haar seksuele oriëntatie of gender-identiteit (zie o.a. Addis et al., 20091)Addis, S., Davies, M., Greene, G., MacBride-Stewart, S., & Shepherd, M. (November 01, 2009). The health, social care and housing needs of lesbian, gay, bisexual and transgender older people: a review of the literature. Health & Social Care in the Community, 17, 6, 647-658.; Grigorovich, 20162)Grigorovich, A. (March 01, 2016). The meaning of quality of care in home care settings: older lesbian and bisexual women’s perspectives. Scandinavian Journal of Caring Sciences, 30, 1, 108-116. ). Als die angst er is, bestaat er een kans dat ouderen terug de kast in gaan en daar in blijven op het moment dat ze met zorg te maken krijgen. De onderzoekservaringen van o.a. Merel Visse (et al., 2013) van de Vakgroep Zorgethiek laten bijvoorbeeld zien dat vooral ‘oudere’ LHBT ouderen (inmiddels vanaf ongeveer 80 jaar) ook in Nederland moeilijk vindbaar zijn (zie Leyerzapf, 20133)Leyerzapf, H., Visse, M. A., Beer, A. ., & Abma, T. A. (2013). Op weg naar betere roze ouderenzorg; Via gelijkwaardige ontmoeting en erkenning van ‘verschil’ naar ruimte voor seksuele diversiteit. Amsterdam/Rotterdam: VU medisch centrum/Rainbow City Rotterdam. ). In mijn ideale wereld zie ik graag zorgpraktijken waarin ook de onzichtbaarste ouderen zichzelf durven zijn, zodat ook op hun behoeften afgestemd kan worden.

Referenties   [ + ]

, , , ,

Nog geen reactie. Wees de eerste!

Geef een reactie