Top

De Helpende Hand

Leeservaring: De Helpende Hand

In het boek De Helpende Hand schetst Eva Vriend de geschiedenis van de gezinszorg in Nederland. Vriend koppelt haar persoonlijke en ontroerende familiegeschiedenis aan de politieke besluitvormingen over de gezinsverzorging. We krijgen een impressie van de opkomst van de verzorgingsstaat, de grenzen ervan en de transitie naar de huidige participatiesamenleving.

Gezinszorg en de wederopbouw

De gezinszorg is de voorloper van de tegenwoordige thuiszorg. Na de Tweede Wereldoorlog kwam de gezinszorg in grote schaal op en bood ondersteuning aan gezinnen die ontwricht dreigden te raken. Het beroep was, ondanks de huishoudelijke taken, vooral een sociaal beroep. De gezinsverzorgsters droegen een grote ‘maatschappelijke verantwoordelijkheid’, door gezinnen in nood met depressieve en zieke vaders en moeders te ondersteunen.
Ria Vriend, de moeder van de auteur, ging in 1966 naar de internaatsopleiding voor de katholieke opleiding tot gezinsverzorgster. Ria leerde hoe zij de sfeer in het huis van een ontwricht gezin konden verbeteren met ‘rust, reinheid en regelmaat’. En dat alles in strak gesteven uniformen en witte kapjes op het hoofd.

Na haar trouwen nam Ria, zoals de meeste gezinsverzorgsters, ontslag om haar eigen gezin te stichten. Een paar jaar later telde het gezin vier kinderen en Eva, de jongste, was vijf jaar toen haar moeder kanker kreeg. Het gezin kreeg sindsdien hulp uit de gezinsverzorging, tot maar liefst tien jaar na het overlijden van Ria. Bijna ieder jaar werden de gezinsverzorgsters afgewisseld, zodat de kinderen zich niet teveel zouden gaan hechten aan de gezinsverzorgster. Dit lukte echter niet altijd, zoals bij Tineke. Tineke werd als negentienjarige verantwoordelijk voor het gezin Vriend. Er werd een band geschept die tot op de dag van vandaag voortduurt.

Participatiesamenleving avant la lettre

Het kabinet zag vanaf de jaren 70 de kosten voor de gezinszorg stijgen, mede doordat zij de gezinszorg hadden uitgebreid naar ouderenzorg. De grenzen van de verzorgingsstaat kwamen in zicht: de vraag naar sociale zekerheid werd groter, terwijl de overheid deze steeds minder kon garanderen. De overheid trachtte de kosten te beteugelen door te bezuinigen, maar door de almaar groeiende vraag bleven de kosten stijgen. Instellingen moesten fuseren; de opleiding werd niet meer op een internaat gegeven en de overheid trok meer macht naar zich toe ten koste van de kerkelijke instellingen.
Vriend citeert de volgende doelstelling van het regeerakkoord van het kabinet-Lubbers uit 1986: ‘verschuiving van (…) professionele hulpverlening naar zelfzorg en mantelzorg en van curatief naar meer preventief wordt bevorderd’. Het klinkt als de participatiesamenleving avant la lettre. Er ontstond echter zoveel ophef dat het akkoord niet werd uitgevoerd. De gewenste bezuinigingen van het kabinet werden hierdoor niet gehaald.

Zoals vrouwen toen de verzorgingsstaat borgden, zo doen ze dat nu voor de participatiesamenleving.

In de jaren die volgden werd het beroep steeds verder uitgekleed en richtte zich steeds meer op de huishoudelijke ondersteuning en minder op het sociale aspect. De gezinsverzorgsters werden meer en meer ingezet bij ouderen in plaats van gezinnen, en in 1993 kwam er officieel een einde aan het beroep van de gezinsverzorgster. De term werd in dat jaar geschrapt uit de cao.
De huidige thuiszorgmedewerkers worden niet meer ingezet voor hele gezinnen. Een van de gezinsverzorgsters die Eva in haar jeugd heeft gehad, is momenteel thuiszorgmedewerker voor een man die een dwarslaesie heeft opgelopen. Hij heeft vier kinderen, maar voor hen mag de thuiszorgmedewerker niets doen. Ze is er alleen voor de vader en mag alleen hem helpen in de dagelijkse verzorging.

Vrouwen en informele zorg

De discussie over eigen verantwoordelijkheid en de rol van de overheid is met de komst van de participatiesamenleving beslecht. Burgers zijn in eerste instantie zelf verantwoordelijk. Vriend wijst op onderzoek van het Sociaal Cultureel Planbureau waaruit blijkt welke groep deze verantwoordelijkheid zich het meest aantrekt: vrouwen. Vriend legt het verband tussen nu en de wederopbouwjaren: ‘de vrouw als hoeksteen van de participatiesamenleving’. Zoals vrouwen toen de verzorgingsstaat borgden, zo doen ze dat nu voor de participatiesamenleving. Ditmaal echter onbetaald.

Herverdeling van zorgtaken?

Het boek van Vriend leest als een aangrijpend en bij vlagen emotioneel verhaal. Naast een persoonlijk relaas, is het ook een geschiedenis over de opkomst en ondergang van een beroep dat een ambivalente houding ten opzichte van de positie van de vrouw heeft gehad. Het bood meisjes de mogelijkheid vrij te breken van het ouderlijk huis, maar hield de vrouw tegelijkertijd vast in de traditionele rolpatronen. Ondanks dat vrouwen tegenwoordig veel minder zijn gebonden aan die rolpatronen, blijkt dat de informele zorgtaken nog steeds grotendeels berust op de schouders van vrouwen. De herverdeling van zorgtaken, waar Tronto in Caring Democracy (2013) voor pleit, is nog lang geen realiteit.

, , , , ,

Nog geen reactie. Wees de eerste!

Geef een reactie