Top

Vosman

Hulp bij zelfdoding – een reactie op de zaak Heringa

De zaak-Heringa roept bij velen reactie op. De rechtbank heeft er van afgezien nieuwe criteria te formuleren voor hulp bij zelfdoding door naasten. Marian Verkerk en Henk Manschot doen in het NRC van 24 oktober een poging: hecht en authentiek met elkaar verbonden zijn van diegene die helpt met degene die het leven wenst te verlaten. Zij noemen daarbij het belang van authenticiteit, autonomie en existentieel commitment.

Frans Vosman, hoogleraar zorgethiek, reageert. Niet authenticiteit en autonomie, maar onherbergzaamheid moet in het debat over hulp bij zelfdoding ter sprake komen. Hij pleit in het debat voor een terugkomst van de relationele overweging van Drion.

Authenticiteit als criterium?

Authenticiteit als criterium? Zelf over je levenseinde beslissen, gecombineerd met hulp van naasten die je levensweg kennen is een daad van humaniteit. Tenminste, dat stellen de hoogleraren Manschot en Verkerk. (NRC 24 okt. 2013). In de zaak Heringa heeft de rechtbank tegen de verwachting in geen meer algemene richtlijnen verwoord voor hulp bij zelfdoding, door naasten gegeven. De twee ethici doen een poging om te komen tot een soort van criterium: hecht en authentiek met elkaar verbonden zijn van degene die helpt en degene die het leven wenst te verlaten. Autonomie bestaat niet enkel uit vrije keuze aldus Manschot en Verkerk, maar uit een “existentieel (levensbeschouwelijk) commitment”. Juist de naasten erkennen dat. De wetgever moet er ruimte voor maken.

De man die de hele discussie aanging, in de NRC van 19 okt. 1991 en met zijn essay Het zelfgewilde einde van oude mensen (1992), mr. Huib Drion, was heel wat voorzichtiger. Hij sloot juist ouderen uit die een doodswens hebben als ze nauw verbonden zijn met anderen. Als je samenleeft met anderen en dan om hulp vraagt overvraag je je naasten: het is te zwaar. Drion rekte het autonomiebegrip niet op door er een kop op te schroeven van naasten die ‘niet wegkijken’, die ‘hecht en authentiek verbonden zijn’ (Manschot, Verkerk).

Drion wees er op dat ouderen op zoek zijn naar gerustheid: als ik niet meer verder kan heb ik dan ook de mogelijkheid te sterven, heb ik dan de middelen? De relationele overweging van Drion (belast de mensen niet die om je geven) en zijn sociaal ethische motief (gerustheid zoeken in een samenleving die niet naar je luistert) mogen wat mij betreft terug in het debat. Er zijn in 2013 heel wat redenen voor ouderen om niet te bouwen op de geordende samenleving. Ik verwijs naar de snelle sluiting van verzorgingshuizen, huisartsen die juist niet meer aan huis komen en op een bredere culturele trend van minachting voor ouderen.

Het onderzoek van de Leidse hoogleraar Westendorp (2013) toont aan dat de meest concrete vorm van minachting voor ouderen namelijk misbruik de sociale arrangementen rond ouderen weerspiegelt. Handelingen volgen sociale en culturele arrangementen. Dat zou te denken kunnen geven over invloed van de culturele omgeving. Misschien moeten we dan minder direct op het baken van autonomie en authenticiteit sturen. Over hulp bij zelfdoding redeneren zonder het over onherbergzaamheid te hebben lijkt mij te smal en politiek ethisch ronduit gevaarlijk. Zowel Manschot & Verkerk als Drion redeneren relationeel, maar komen op heel verschillende conclusies uit. Dat wijst op ons op de noodzaak om gegrond vanuit relationaliteit te denken en niet speculatief of optatief.

Ongegronde ethiek

Mijn probleem met het ethische voorstel van Manschot en Verkerk is dat het helemaal langs de feiten heen gaat: het is een vorm van fact free optatief denken. We beschikken namelijk wel over getuigenissen van ouderen met een doodswens, maar over heel erg weinig grondig onderzoek naar wat ouderen die aangeven dat verder leven hen benauwt feitelijk blijkt bezig te houden. We weten ook bar weinig van de verhoudingen met hun naasten. Ik laat dan onderzoek naar proefopstellingen waarbij ouderen ‘als u voor de keus zou staan … wat doet u dan..’ (Will to live Questionanaire, 2000) als onserieus onderzoek buiten beschouwing. Echt oud zijn en benauwd zijn van verder moeten leven is geen proefopstelling, het is de vraag van een deelnemer aan het echte leven. Of er sprake is van “existentieel (levensbeschouwelijk) commitment” weten we nu juist niet.

Je kunt dan commitment op de morele troon heffen maar misschien zitten er geen poten onder. Pas na gronding van de relationaliteit komt de vervolgstap, namelijk dat we tot een zorgvuldige ethische waardering 2komen van de overwegingen van ouderen en van wat naasten daarin betekenen. Die afweging moet ook politiek ethisch gemaakt worden, niet alleen maar “existentieel”. Het lijkt mij op voorhand realistischer om hechte verbondenheid en authenticiteit niet te vóóronderstellen. Het idee van Manschot en Verkerk gaat langs de meerzinnigheid van relaties heen. We hebben weet van de ambiguïteit van hechte relaties en van de ondoorgrondelijkheid van een mens voor zichzelf dankzij tientallen jaren van subjectiviteitskritiek. Niet alleen filosofen zoals Paul Ricoeur en Alessandro Ferrara hebben dit laten zien, maar ook gedragswetenschappers (bijvoorbeeld J.Cl. Kaufmann’s kritiek op het authenticiteitsplaatje van het ego).

Het idee dat zelfdoding en hulp bij zelfdoding tot goedheid, tot humaniserende daden gerekend moeten worden staat op wankele benen. Ook nieuwe wetgeving, controle, dossiervoering, ‘transparantie’, toetsing vooraf door ‘deskundigen’ zullen niet kunnen weg nemen dat hulp bij zelfdoding bij de morele grijstonen hoort. Hoe hoger de morele troon van ‘humaniteit’ hoe verder weg van de realiteit. Dit gezegd hebbende kan ik ouderen die de samenleving onherbergzaam vinden, Drion herlezen en de geruststellende pil willen wel begrijpen. De discussie moet over die onherbergzaamheid gaan en over de wens om niet bij een dokter op toetsing te moeten, niet over met authenticiteit verrijkte autonomie.

Frans Vosman (*1952) is hoogleraar zorgethiek, Universiteit voor Humanistiek

De laatste wens van Moek from NVVE on Vimeo.

, , , , , , , ,

2 Responses to Hulp bij zelfdoding – een reactie op de zaak Heringa

  1. ooms rita. 19 november 2013 at 18:07 #

    Erg dat een mens niet zijn/haar vrije wil om uit het leven te stappen in praktijk kan brengen.
    dat geeft spanning en verdriet vind het misdadug dat een ander over mijn lichaam en leven beslist.
    graag de pil van drion.

  2. Ad Beckeringh 12 november 2013 at 13:34 #

    Graag reageer ik op het artikel van Frans Vosman over hulp bij zelfdoding aan ouderen.

    Jammer genoeg is het betoog van Vosman soms lastig te volgen. Zo is de zin “het onderzoek van…Westendorp (2013) toont aan dat de meest concrete vorm van minachting voor ouderen namelijk misbruik de de sociale arrangementen rond ouderen weerspiegelt” voor mij een puzzelstuk. Dat kan niet de bedoeling zijn.

    Wat mij bezwaart is het beeld van de ‘zielige’ oudere, wiens redelijke aanspraak op de arrangementen van de verzorgingsstaat steeds verder wordt afgebouwd. De recente discussie over dit onderwerp toont aan dat ouderen aanzienlijk minder getroffen worden door de gevolgen van de economische crisis dan de jongeren. Niet alleen de 50+-generatie, maar ik denk dat ook hoogbejaarden in die zin niet onevenredig hard getroffen worden. Ik maak daarom bezwaar tegen karikaturen van de samenleving zoals ‘een bredere culturele trend van minachting voor ouderen’.

    In mijn vrijwilligerswerk bij de NVVE kom ik zeer regelmatig ouderen tegen die hulp vragen bij hun streven om hun leven te beeindigen. Ik herken niet de situatie dat die vraag niet aan de naasten gesteld zou mogen worden omdat dit hen te zeer zou belasten. Naar mijn mening is Drion destijds hier in de val van paternalisme getrapt. Ik zie regelmatig (10 x per jaar) ouderen die samen met hun naasten zoeken naar een menswaardige manier van sterven. De naasten zijn hier zonder uitzondering verdrietig over, maar willen hun (groot)ouders niet verplichten de rit – tegen wil en dank – uit te zitten. Deze situaties betreffen meestal, wijze, oude mensen met een sterke neiging naar autonomie. Ze willen ‘het boek van het leven terzijde leggen, want het is uit’. Gelukkig kunnen de meesten daarnaast ook vaststellen dat het ‘ondanks alles, een mooi leven is geweest’.

    Men mag mij van romantiseren beschuldigen, maar ik zie ook wel dat het geen vrolijke bijeenkomsten zijn waarin ouderen met hun naasten vragen (eisen, smeken) om hulp of instemming een menswaardig en vredig einde te realiseren.

    Kortom; mensen worden ouder en velen (sommigen?) wensen op menswaardige manier uit het leven te stappen. Niet omdat ze lijden aan het leven, lijden aan een samenleving die ouderen slecht behandelt, lijden aan gevoelens van overtollig of overbodig zijn. Maar wel omdat ze de dood zien als een aantrekkelijk perspectief. Wie oud is en zijn leven als voltooid beschouwt, lijdt aan het feit dat men zoveel moeite moet doen om in woord en daad een punt te mogen zetten achter het bestaan.

    Ad Beckeringh, docent ethiek Hogeschool Rotterdam, vrijwilliger bij NVVE.

Geef een reactie