Top

Petra Schaftenaar

Drie vragen aan een zorginnovator

In de rubriek Zo! Zorg! stellen we telkens drie vragen aan mensen die werkzaam zijn in de zorg en hulpverlening. Ditmaal worden de vragen beantwoord door Petra Schaftenaar (HBO-inrichtingswerk, WO bedrijfskunde, promovenda in de zorgethiek). Ze werkt sinds 1993 in de forensische en intensieve psychiatrie. Ze heeft gewerkt als sociotherapeut, leidinggevende en manager in diverse instellingen. Sinds 2014 werkt ze als zorginnovator en onderzoeker. Daarnaast is ze (sinds 2007) freelance docent en hoofdopleider in de forensische psychiatrie. Ze is (mede)auteur van diverse boeken en publicaties, onder andere ‘Leefklimaat in de klinische forensische psychiatrie’ (SWP, 2013). Ook op deze website heeft ze al een aantal artikelen gepubliceerd.

Een moment van zorg verlenen dat me het meest is bijgebleven

Het was halverwege de jaren ’90 en ik was halverwege de twintig. Zo’n fase waarin je zelf denkt dat je het wel snapt en er pas veel later achter komt dat dit niet zo is. Dat klinkt als een opmaat naar een zorgverhaal met schade. Vanuit mijn kant valt dat achteraf bezien nog wel mee. Maar het is wel een ervaring die me bijgebleven is omdat de ervaring (nog steeds) alles in zich heeft (van mooie momenten tot dilemma’s) wat zorgen met zich mee kan brengen.

Marvin

Ik werkte als groepsleidster in een tbs-kliniek (nu heet dat een Forensisch Psychiatrisch Centrum) en werkte  op de afdeling waar Marvin opgenomen was. Marvin was hooguit een paar jaar ouder dan ik en vandaag zou hij op bezoek gaan bij zijn ouders. Samen met mij, ik zou hem begeleiden. Marvin en ik konden het goed met elkaar vinden. Marvin was sterk en wilde graag zorgen. Ook voor mij. “Ik ga wel met je mee”, zei hij altijd als ik wat potentieel moeilijks moest gaan doen, bijvoorbeeld zijn groepsgenoten aanspreken op hun ongewenste gedrag.

Vandaag togen we samen naar Rotjeknor. Eenmaal bij zijn ouders – en extended family – was het eerste wat we gingen doen, op pad gaan. Naar de kerk. Marvin mocht niets zonder mij, ik ging mee. Een fantastische kerkdienst maakte ik mee. Marvin was al lang niet meer in de gemeenschap geweest, een jarenlange gevangenisstraf was vooraf gegaan aan zijn tijd in de kliniek, en iedereen in de kerk was blij het gezin te zien. Bij het zingen van de liederen kon ik onmogelijk blijven zitten, alhoewel mijn gevoel voor ritme en zangkwaliteiten daar echt om vroegen.

“In alles was ik doe staat de vraag wat de betekenis voor de zorgontvanger is centraal.”

Het was toen dat de moeder van Marvin haar hand op mijn arm legde en zei: “ik heb tegen iedereen gezegd dat je Marvins vriendinnetje bent”. Ik verstijfde bijna, wist me te herpakken en besloot maar te genieten van de omgeving waarin ik was beland. Ik sloot me af voor de opmerkingen die ‘schoonmoeder’ kreeg dat haar zoon een leuk meisje aan de haak had geslagen. Ik weet niet meer hoe, maar tijdens de wandeling naar huis heb ik er nog een opmerking over gemaakt, om weer een beetje controle te krijgen, waarschijnlijk. Dat had ik net zo goed niet hoeven doen, want thuis bleef ik ‘het vriendinnetje’ van Marvin. Voor de extended family, voor de buren die over het balkon hingen, voor moeder.

Ik kreeg drie zoenen van haar bij ons vertrek. Terug in de trein, samen met Marvin, toen we samen de lekkernijen deelden die ons meegegeven waren, begon ik er zelf ook bijna in te geloven. In helikopterview zag ik ons zitten. Voorovergebogen over het kleine tafeltje, cakejes die gedeeld werden, proosten met een blikje Fernandes: we leken wel een stel.

Terugblik

Nu, ruim twintig jaar later, zou ik het misschien wel hetzelfde doen. Wat maakt het uit, dat je even het leenvriendinnetje bent? Mijn waarheid, een tbs-begeleidster met een -patiënt was voor moeder op dat moment en in die situatie waarschijnlijk niet te verdragen. En als iets niet te verdragen is, proberen we de werkelijkheid zo te boetseren dat het wel kan. Maar alle dilemma’s (van afstand en nabijheid, van rollen en begeleidingsvormen, van normen en waarden, van zorgen en behandelen, van laten en maken) zaten hierin. Toen overkwam het me een beetje. Dat ik in de twintig jaar daarna woorden heb gevonden waarom het ondanks dat het moeilijk was, misschien ook goed was zo, stemt me tevreden.

Wat heeft me vooral gevormd tot zorgverlener en waarom

Twee ‘momenten’ in mijn zorg(management)bestaan zijn belangrijke vormers geweest. Ze zijn allebei nog niet eens zo heel erg oud, maar het zijn keerpunten.

Het eerste keerpunt was er toen in bij een RIBW werkte als manager en ik door de nabije, gepaste, persoonsgerichte zorg begreep: ‘als werkers moeten we veel vaker dan doen gebruikelijk, proberen het perspectief van de ander (cliënt, patiënt) te snappen. Slechts dan kan zorg aangesloten (op wat iemand anders nodig heeft) gegeven worden.
Dit inzicht heeft zich de afgelopen vijf jaar in mij verankerd en is daarmee het tweede keerpunt: : in alles was ik doe (onderzoeken, innoveren, spreken, luisteren) staat de vraag wat de betekenis voor de zorgontvanger is, centraal. Dat is een ‘radicaal’ andere insteek dan te doen gebruikelijk in (onderwijs)hulpverleningsland, waarin overwegend gewerkt en geleerd wordt vanuit het perspectief van de hulpverlener. Overigens begint er op dit punt in psychiatrisch zorgland – onder aanvoering van ervaringsdeskundigen – gelukkig wel iets te schuiven.

Zorg voor mij is…

Een omstandigheid, waarin mensen vaak ongewild kwetsbaar zijn, zo maken dat het leed zo gering mogelijk is.

, , ,

One Response to Drie vragen aan een zorginnovator

  1. Terugspeeltheater Amsterdam 21 augustus 2016 at 21:01 #

    Wat een prachtig beeldend verhaal!

Geef een reactie